De Weimarse Staande Hond

Hoewel hij tot de oudste jachthondenrassen behoort, is de Weimaraner (gelukkig) nog niet overbekend. Over de herkomst van het ras zijn vele uiteenlopende theorieën ontwikkeld, waarvan er een aantal aannemelijk lijken terwijl weer andere verklaringen zeer speculatief zijn. In elk geval wordt de Weimaraner beschouwd als het oudste zuiver gefokte Duitse staande jachthondenras. Een korthaar Weimaraner is géén Duitse Staande Korthaar met een andere kleur, evenmin als de langhaar Weimaraner een grijze Duitse Staande Langhaar is!

De Fransen beweren, dat Frankrijk de bakermat van de Weimaraners is en wijzen daarbij op oude wandtapijten en schilderijen o.a. van Van Dijck waarop een op de Weimaraner lijkende hond is afgebeeld. Pas veel later, nadat het fokken aan het Franse hof in verval was geraakt, zou het hof van Weimar deze taak hebben overgenomen, waarbij deze jachthond met zijn opvallende grijze kleur definitief de naam Weimaraner zou hebben gekregen. Lange tijd zou het fokken het alleenrecht van het Weimarse hof zijn geweest. Het verhaal gaat, dat zelfs aan Bismarck het bezit van een Weimaraner zou zijn geweigerd. Na de val van het Duitse Keizerrijk verdween de Weimaraner praktisch van het toneel. Gelukkig ging het ras niet helemaal verloren en waren er ook in die tijd liefhebbers, die het ras voor uitsterven hebben behoed. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de belangstelling in Engeland en Amerika en heeft men veel moeite gedaan om het in verval geraakte ras weer op peil te brengen. De eerste twee (steriele) Weimaraners werd in 1928 naar Amerika geëxporteerd. Tien jaar later werden er opnieuw Weimaraners naar Amerika overgebracht, waarna het eerste in de Verenigde Staten gefokte nest in 1939 werd geboren. In Engeland werden de eerste Weimaraners pas in 1954 geïmporteerd. Zowel in Frankrijk als in Engeland en Amerika beleefde de Weimaraner een nieuwe opkomst. De “Gray Ghost” zoals de Amerikanen hem niet zozeer vanwege zijn kleur, maar vooral om zijn katachtige soepele gangen noemen was een opmerkelijke verschijning. Hij deed in enkele staten van Amerika, zoals Wisconsin, dienst als politiehond. In Tokio trad hij op als “drug-hond” en bij de politie van de stad Londen liep er tussen de Duitse Herders lange tijd een Weimaraner als speurhond. Hij trad ook op in films. Zo was een Weimaraner de trouwe begeleider van de Western-filmster “Roy Rogers”.

Floyd in de sneeuw

Vooral blijft de Weimaraner natuurlijk een all round jachthond. Oorspronkelijk zou hij door de Fransen gebruikt zijn als lopende hond en werd hij in de 19e eeuw door de Duitsers afgericht en ingezet als staande hond. De Duitsers beschouwen hem als de aristocraat onder de jachthonden. Hij is geschikt voor de jacht op alle wild, zowel voor als na het schot en kan dienst doen onder alle terreinomstandigheden. Kortom een hond geschikt voor de meest uiteenlopende jachten. Naast zijn geschiktheid voor de jacht is de Weimaraner ook een uitstekende huishond. Hij is zeer gesteld op zijn huisgenoten. Niet alleen voor de baas, doch ook voor de vrouw en de kinderen gaat hij door het vuur. Als er gevaar dreigt komt zijn verdedigingsdrift naar voren. Het is een temperamentvolle hond met een duidelijk eigen karakter, die met zachte doch vaste hand zeer consequent moet worden opgevoed om uit te kunnen groeien tot ideale kameraad. Hij is zeer gesteld op het leven in huiselijke kring. Het spreekt vanzelf, dat deze middelgrote temperamentvolle jachthond ook de ruimte en beweging nodig heeft, Men kan niet volstaan met een paar keer per dag “een blokje om”. Hij moet enige keren per dag de gelegenheid krijgen zijn energie kwijt te raken door vrij uit te rennen. Men moet hem dag in dag uit, weer of geen weer, daartoe de gelegenheid geven. Heeft u er dit niet voor over, begin er dan niet aan.

Rasstandaard van de “Weimarse Staande Hond”

1. Algemeen voorkomen: middelgrote tot grote jachtgebruikshond.

schofthoogte : a. reuen 59 – 70 cm. b. teven 57 – 65 cm.

Doelmatig werktype, mooi van uiterlijk en goed gespierd. Er moet duidelijk verschil zijn tussen het type van de reu en de teef.

2. Kleur: zilver-, ree- of muisgrijs, evenals tussenvormen van deze kleuren. Hoofd en behang meestal iets lichter. Geringe witte aftekeningen slechts toelaatbaar op borst en tenen. Vaak komt een min of meer brede donkere aalstreep voor over het midden van de rug. Bruine aftekening (brand) wordt gediskwalificeerd.

3. Beharing:

a. ideaal haar, zacht kort, hard kort, zijdeachtig

ad. a. Zeer kort (doch langer en dichter dan bij de meeste vergelijkbare hondenrassen), vlak aanliggend dekhaar, met of zonder onderwol.

b. langhaar

ad. b. Zacht, lang dekhaar, met of zonder onderwol, vlak of gegolfd. Aan de oorpunten fluweelachtig, bij de ooraanzet lang, er overvallend. Met haar van doelmatige lengte (3 – 5 cm.) op de rug en aan de flanken. Aan de onderkant van de hals, de voorborst en aan de buik meestal langer. Goede bevedering en broek. Staart met goede pluim, tussen de tenen behaard en minder lang haar aan het hoofd. (Vaak is de vacht pas goed ontwikkeld na het tweede levensjaar).

Gisa pup bos

4. Hoofd: matig lang, in harmonie met de lichaamsgrootte. Bij reuen breder dan bij teven, echter bij beiden – tussen het behang in de breedte – in verhouding tot de lengte van het hoofd. Van neuspunt tot aanvang schedel iets langer, dan van aanvang schedel tot achterhoofdknobbel. In het midden van de schedel een verdieping. De achterhoofdknobbel licht tot matig zichtbaar. Achter de ogen een goed zichtbaar jukbeen. Vang lang en – vooral bij reuen – krachtig, van opzij bijna vierkant lijkend. De vang en de omgeving van de hoektand ongeveer even breed (sterk). Krachtig gebit zonder fouten. Neusrug recht, of iets gewelfd, doch nooit naar onder doorgebogen (pointerneus). Uiterst geringe stop. Lippen matig overvallend. Deze evenals gehemelte vleeskleurig. Kleine mondvouw. Bakken gespierd en duidelijk ontwikkeld. Droog hoofd.

5. Behang: breed, tamelijk lang, ongeveer reikend tot de mondhoek, puntig aan de onderzijde en hoog en smal aangezet. Bij oplettendheid iets naar voren gedraaid en gevouwen.<

6. Neus: donkervleeskleurig, naar achteren overgaand in grijs. Steekt voor de onderkaak uit.

7. Ogen: licht tot donker barnsteenkleurig, met intelligente uitdrukking. Als pup hemelsblauw. Rond nauwelijks scheefstaand.

8. Hals: gespierde nagenoeg ronde hals, die niet tekort is en een adelijk voorkomen heeft en edel gedragen wordt. Steviger wordend naar de schouder en harmonisch overgaand in borst-en ruglijn. Zonder wannen en weinig keelhuid.

9. Lichaam: in goede verhouding en gespierd. Lengte : schofthoogte = 12:11.

10. Borst: krachtig, niet overdreven breed, met voldoende diepte – bijna tot de elleboog reikend – en lengte.

11. Rug: enigszins lange rug, zonder doorgezakt te zijn. Achter niet overbouwd en voor niet overstaand.

12. Staart: op de leeftijd van 1 of 2 dagen – overeenkomstig de wet op de dierenbescherming – bij kort- en stokharige Weimaraners gecoupeerd tot op ongeveer 4 tot 4,5 cm. Bij langharige Weimaraners moeten ongeveer 2 tot 3 wervels gecoupeerd worden. De staart is lager aangezet dan bij vergelijkbare rassen en men kan hierin de oorspronkelijke loodrechte staartdracht terugvinden. Sedert 1 september 2001 geldt een algeheel coupeerverbod op in Nederland gefokte honden!

13. Schouders: goed gehoekt, lang, schuin en goed aanliggend door sterke spieren verbonden.

14. Gangwerk: in het algemeen “hoog”, niet te breed staand, pezig en recht. Opperarm goed gehoekt en voldoende lang en sterk. Afstand elleboog naar midden van middelvoetsbeentjes is nagenoeg gelijk aan afstand elleboog naar schoft. Ellebogen noch naar binnen, noch naar buiten gedraaid. Vrij recht gelegen. Voorhand vrij goed in verhouding tot romp staand. Gangwerk voor evenwijdig. Achterhand van heup tot spronggewricht lang. Heup-, knie- en spronggewricht goed gehoekt, d.w.z. bovenschenkel korter dan onderschenkel. Deze laatste minder goed gehoekt dan eerstgenoemde gewrichten. Gangwerk achter eveneens evenwijdig, pezig en gespierd, noch naar buiten, noch naar binnen staand. Een samenstelling van beenderen, die bij het gaan moeiteloos samenwerken. Bij het gaan de voorbenen duidelijk parallel met de achterbenen. De rug moet in draf horizontaal blijven.

15. Voeten en zoolballen: gesloten en krachtig, zonder Hubertusklauwen. recht onder het lichaam staand. Tenen goed gewelfd, iets langere middentenen zijn niet fout. Nagels licht tot donkergrijs. Zoolballen rechtop staand.

Bovenstaande rasbeschrijving is een beknopte samenvatting van de FCI rasstandaard.

Bron: Weimaraner Vereniging Nederland

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s